-
De oude juwelen van de farao’s
Geplaatst op juli 21st, 2010 Geen reactie
Het dodenmasker van Toetanchamon. Iedereen kent het goudblinkende masker wel. Goud speelde een belangrijke rol in het oude Egypte. Voor de goudsmeden, voor de economie, voor grafrovers, maar vooral voor farao’s.Een door moderne archeologen systematisch onderzochte grafuitrusting levert vele fragmenten van steen, teksten, en aardewerk op. Vaak is alleen het feit dat daarbij toevallig één of ander stuk van goud gemaakt is aanleiding om wereldkundig te maken. Zo was de schat van Toetanchamon nooit bedoeld als financiële reserve of als een soort schatkamer voor de Egyptenaren. Goud was voor hen uiteraard iets kostbaars, maar zijn grotere waarde lag in het feit dat de Egyptenaren dachten dat de zonnegod en andere goden voor een groot deel uit goud bestonden. Goud was een goddelijk metaal en had daarom de kracht goddelijk leven, dus onsterfelijkheid, te geven. Behalve godenbeelden waren ook de punt van obelisken, delen van tempelwanden en het gereedschap dat bij religieuze handelingen gebruikt van goud gemaakt of met goud overtrokken.
Herkomst van het Egyptisch goud
Door de dicht bij het oude Noebt (het Griekse Ombos) gelegen goudmijnen is de naam van deze plaats waarschijnlijk afgeleid van het Oud-Egyptische woord ‘noeb’, wat ‘goud’ betekent. De kwartsaders in de bergen van de Arabische woestijn bevatten goud en overal waar deze aders aan het oppervlak verschijnen zien we dat deze al in oude tijden zijn bewerkt. Vooral op twee plaatsen was de zoektocht naar goud succesvol. De eerste en wellicht de oudste bron van Egyptisch goud lag in de buurt van Koptos. In de Wadi Foachir zijn oude verlaten woonplaatsen voor goudbewerkers gevonden met de resten van minstens 1320 arbeidershutten uit de Ptolemaeïsche tijd (332 – 30 v. Chr.). Maar de grootste hoeveelheid goud kwam uit een ander gebied, namelijk de bergen die veel meer naar het zuiden lagen en geografisch tot Nubië behoorden.
Goudsmeden
De smeltkroes voor het smelten van goud werd op een aardewerken steun in een met houtskool gevulde aardewerken pot gezet en kon door middel van twee buigzame stokken, die aan het uiteinde aan elkaar vastgeklemd zaten, van het vuur worden getild. De houtskool werd tot volle hitte gebracht door middel van een blaaspijp van riet met aan de voorkant een mondstuk gemaakt van klei. Goudsmeden gebruikten deze methode voor de fabricage van simpele voorwerpen, zoals ringen. Voor moeilijker opdrachten zaten de goudsmeden rond een vuur en bliezen door luchtpijpen in een vlam.
Hoog aanzien
De pijpen hadden metalen puntige uiteinden, waarschijnlijk om de luchtstroom te concentreren en te versterken. Later in de Egyptische geschiedenis konden de metalen pijpen ook aan balgen, gemaakt van leren zakken, vastgemaakt worden. Eén werkman stond met één voet op een zak; wanneer hij de linker naar beneden duwde bracht hij gelijktijdig de rechter voet omhoog en trok de rechter balg met een koord omhoog. De goudsmeden stonden in hoog aanzien en waren zelfs in staat een fraaie graftombe voor zichzelf te laten bouwen. Zij werkten meestal in opdracht van de farao of een tempel, maar er was ook goud beschikbaar voor het maken van sieraden en amuletten voor particulieren.
Bron: www.kennislink.nl





